Member details
Gebruikersnaam
Wachtwoord
 
Wachtwoord vergeten?
 
 

Literaire Begrippen

 
Samenvatting Literaire begrippen:

1. Hoofdpersoon: Belangrijkste verhaalfiguur. Niet alleen het uiterlijk maar ook de gedachten en gevoelens worden beschreven. De hoofdpersoon maakt een bepaalde ontwikkeling door.
2. Karakter: Vooral het innerlijk word beschreven. Karakters zijn veelzijdiger: je leert zo’n persoon goed kennen, hij maakt een bepaalde ontwikkeling door.
3. Type: Leer je slechts oppervlakkig kennen, maakt geen ontwikkeling door, bijna geen gedachten en gevoelens. Karikatuur: Een aantal kenmerken worden sterk overdreven.
4. Antiheld: Doet goede dingen maar je zou hem niet willen zijn: Er is iets “mis” bijvoorbeeld uiterlijk&gedrag.
5. Speaking name: De naam van de hoofdpersoon heeft een extra betekenis: zegt iets meer over zijn karakter.
6. Personages:
1. zijn personen karakters of types.
2. wie zijn de hoofdpersonen en wie de bijpersonen
3. bepaal welke relatie er is tussen de personen
4. let op de beschrijving van: uiterlijk, gedrag, innerlijk en naam
7. Perspectief:
1. Ik-verteller
2. Personale verteller (hij/zij)
3. Alwetende verteller (hij/zij)
Personale verteller: je leest alles door de ogen van één persoon. Lijkt veel op de ik verteller.
Alwetende verteller: als lezer leer je alles van de verhaalfiguren wat ze denken/vinden etc.
8. Ruimte:
1. De plaat(sen) waar het verhaal zich afspeelt (kan in overeenstemming zijn met de gebeurtenissen, of juist in tegenstelling)
2. Het weer: regen/zon/sneeuw
3. Wanneer het verhaal zich afspeelt (heden/verleden/zomer/herfst etc)
9. Tijd:
1. Chronologisch: de gebeurtenissen spelen zich achter elkaar af
2. Niet-Chronologisch: De gebeurtenissen worden onderbroken door dingen uit het verleden of verwijzingen naar gebeurtenissen die nog moeten gebeuren.
3. Flash-back: Terugblik naar het verleden (om zaken te verduidelijken)
4. Flash-forward: Vooruitblik
5. Tijdverdichting: Stukje tijd overslaan: bijvoorbeeld: een week later of drie maanden later.
10. Thema:
1. Zegt niet precies wat er in het verhaal gebeurt
2. Thema’s zijn op meerdere boeken toepasbaar.
3. Thema is altijd een zin, nooit één woord.
11. Motief: Terugkerend ‘ding’ in het verhaal: word steeds herhaald er zijn 4 soorten:
1. Abstract motief: bijvoorbeeld: liefde, haat: zaken die je niet kan vastpakken
2. Leidmotief: concreet/tastbaar: een ding dat je kunt pakken.
3. Klassieke motieven: komen door de eeuwen heen voor: slechte schoonmoeder
4. Grondmotief: Hetzelfde als thema
12. Stijl: de manier waarop een verhaal is geschreven: bijvoorbeeld moeilijke woorden, lange zinnen, korte zinnen.
13. Cliché: Afgesleten taal gebruik: weinig origineel, je krijgt het idee dat je het al veel eerder hebt gelezen.
14. Titelverklaring: Waarom heet het boek zo? Heeft vaak met het thema te maken.
15. Motto: zegt iets over de bedoeling van de schrijver met zijn boek
- Motto = een spreuk/zinnetje(s) bijvoorbeeld uit een gedicht
- Motto = Staat er of staat er niet.

 Stuur door   Dit is niet OK 

 
 

Favoriete blogs

Links

 

Tags