Member details
Gebruikersnaam
Wachtwoord
 
Wachtwoord vergeten?
 
 

 

I LOVE YOUU (l) (l)

27 sep 2010, 22:13

I love you more than words could ever say,
I feel it growing in my heart each and every day,
All this love I feel
Has never felt so real
You give me something no one has ever given me,
It's something you cannot see
Love so strong, and so true
It makes me think of only you
This wonderful feeling you have given me
Makes me want to be with you endlessly

Literaire Begrippen

6 okt 2009, 19:36

Samenvatting Literaire begrippen:

1. Hoofdpersoon: Belangrijkste verhaalfiguur. Niet alleen het uiterlijk maar ook de gedachten en gevoelens worden beschreven. De hoofdpersoon maakt een bepaalde ontwikkeling door.
2. Karakter: Vooral het innerlijk word beschreven. Karakters zijn veelzijdiger: je leert zo’n persoon goed kennen, hij maakt een bepaalde ontwikkeling door.
3. Type: Leer je slechts oppervlakkig kennen, maakt geen ontwikkeling door, bijna geen gedachten en gevoelens. Karikatuur: Een aantal kenmerken worden sterk overdreven.
4. Antiheld: Doet goede dingen maar je zou hem niet willen zijn: Er is iets “mis” bijvoorbeeld uiterlijk&gedrag.
5. Speaking name: De naam van de hoofdpersoon heeft een extra betekenis: zegt iets meer over zijn karakter.
6. Personages:
1. zijn personen karakters of types.
2. wie zijn de hoofdpersonen en wie de bijpersonen
3. bepaal welke relatie er is tussen de personen
4. let op de beschrijving van: uiterlijk, gedrag, innerlijk en naam
7. Perspectief:
1. Ik-verteller
2. Personale verteller (hij/zij)
3. Alwetende verteller (hij/zij)
Personale verteller: je leest alles door de ogen van één persoon. Lijkt veel op de ik verteller.
Alwetende verteller: als lezer leer je alles van de verhaalfiguren wat ze denken/vinden etc.
8. Ruimte:
1. De plaat(sen) waar het verhaal zich afspeelt (kan in overeenstemming zijn met de gebeurtenissen, of juist in tegenstelling)
2. Het weer: regen/zon/sneeuw
3. Wanneer het verhaal zich afspeelt (heden/verleden/zomer/herfst etc)
9. Tijd:
1. Chronologisch: de gebeurtenissen spelen zich achter elkaar af
2. Niet-Chronologisch: De gebeurtenissen worden onderbroken door dingen uit het verleden of verwijzingen naar gebeurtenissen die nog moeten gebeuren.
3. Flash-back: Terugblik naar het verleden (om zaken te verduidelijken)
4. Flash-forward: Vooruitblik
5. Tijdverdichting: Stukje tijd overslaan: bijvoorbeeld: een week later of drie maanden later.
10. Thema:
1. Zegt niet precies wat er in het verhaal gebeurt
2. Thema’s zijn op meerdere boeken toepasbaar.
3. Thema is altijd een zin, nooit één woord.
11. Motief: Terugkerend ‘ding’ in het verhaal: word steeds herhaald er zijn 4 soorten:
1. Abstract motief: bijvoorbeeld: liefde, haat: zaken die je niet kan vastpakken
2. Leidmotief: concreet/tastbaar: een ding dat je kunt pakken.
3. Klassieke motieven: komen door de eeuwen heen voor: slechte schoonmoeder
4. Grondmotief: Hetzelfde als thema
12. Stijl: de manier waarop een verhaal is geschreven: bijvoorbeeld moeilijke woorden, lange zinnen, korte zinnen.
13. Cliché: Afgesleten taal gebruik: weinig origineel, je krijgt het idee dat je het al veel eerder hebt gelezen.
14. Titelverklaring: Waarom heet het boek zo? Heeft vaak met het thema te maken.
15. Motto: zegt iets over de bedoeling van de schrijver met zijn boek
- Motto = een spreuk/zinnetje(s) bijvoorbeeld uit een gedicht
- Motto = Staat er of staat er niet.

 

Favoriete blogs

Links